Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR5453

Datum uitspraak2004-11-05
Datum gepubliceerd2004-11-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200407719/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 27 augustus 2004, kenmerk DGWM/2004/12050, heeft verweerder naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb) van het college van burgemeester en wethouders van Ter Aar vastgesteld dat er ten aanzien van het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […] (ged.) sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan de sanering niet-urgent is.


Uitspraak

200407719/1. Datum uitspraak: 5 november 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekers], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 27 augustus 2004, kenmerk DGWM/2004/12050, heeft verweerder naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb) van het college van burgemeester en wethouders van Ter Aar vastgesteld dat er ten aanzien van het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […] (ged.) sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan de sanering niet-urgent is. Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Bij brief van 7 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2004, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 oktober 2004, waar verzoekers in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van Hagen en ing. A.P. Springintveld, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Ter Aar, vertegenwoordigd door P.C. van den Blink, drs. R.L. Stam en drs. M.E. Bosboom, allen ambtenaar van de gemeente, daar gehoord. 2.    Overwegingen 2.1.    De Voorzitter overweegt allereerst dat in deze procedure alleen het bestreden besluit, waarin de ernst en urgentie van het gemelde geval van bodemverontreiniging is vastgesteld, ter beoordeling voorligt. Voorzover verzoekers in hun verzoekschrift gronden naar voren hebben gebracht welke zien op de op 20 juli 2004 van rechtswege verleende instemming met het saneringsplan, overweegt de Voorzitter dat deze gronden, gelet op het vorenstaande, in de onderhavige procedure geen rol spelen. 2.2.    Verzoekers voeren kort weergegeven aan dat diverse fouten bij de gevolgde procedure zijn gemaakt, zodat mogelijke belanghebbenden zijn benadeeld. Tevens betogen verzoekers dat de terinzagelegging op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. 2.3.    De Voorzitter stelt vast dat in de Provinciale Milieuverordening van de provincie Zuid-Holland het volgen van de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen procedure bij de voorbereiding van een besluit als het onderhavige is verplicht gesteld.    Ter zitting heeft verweerder toegegeven dat aan de uitvoering van de gevolgde voorbereidingsprocedure enkele onvolkomenheden van procedurele aard hebben gekleefd. Verweerder heeft, gelet hierop, te kennen gegeven te kunnen instemmen met inwilliging van het verzoek om voorlopige voorziening. De Voorzitter ziet gezien het vorenstaande, bij afweging van de betrokken belangen, aanleiding tot het treffen van de hierna te melden voorlopige voorziening. 2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 27 augustus 2004, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op het verzoek is beslist; II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 108,76; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan verzoekers; III.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat. w.g. Boll    w.g. Melse Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2004 375.